Raymond Leblanc werd geboren op 22 mei 1915 dichtbij Neufchâteau, in de Belgische Ardennen.
Hij is nog jong wanneer hij een carrière begint als douanecontroleur bij de Administratie. De Tweede Wereldoorlog zal echter zijn hele bestaan veranderen. Als reserveofficier publiceert hij in 1942 zijn eerste werk "Dés pipés - Journal d'un Chasseur Ardennais" dat over de oorlog gaat. Op datzelfde moment wordt hij lid van het Verzet.
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, beslist Rayond Leblanc om zich op de zakenwereld storten. Hij doet dit samen met twee vrienden die zoals hem geboeid zijn door het publiceren: André Sinave en Albert Debaty.
In december 1944 richten zij samen de kleine uitgeverij "Yes". De jonge uitgeverij telt in het begin slechts een tiental medewerkers en vestigt zich in drie lokalen in de Lombardstraat 55, in de buurt van de bekende Grote Markt. De naam van deze straat zal gebruikt worden voor een nieuwe onderneming die wat later in dezelfde lokalen zal worden opgestart: "Les Editions du Lombard". In deze eerste burelen ontstaan twee tijdschriften: de reeks "Coeur" met als ondertitel "Le roman d'amour du jeudi", een verzameling van volledige liefdesverhalen die wekelijks verschijnen, en "Ciné-Sélection", een tijdschrift over de filmactualiteit.
In 1945 probeert Raymond Leblanc, samen met A. Sinave, A. Debaty en G. Lallemand Hergé ervan te overtuigen een jongerentijdschrift genaamd "Kuifje" op te richten. Hergé aanvaart dit. De "kleine reporter", die werd uitgevonden in 1929 en die al bekend was dankzij twaalf albums uitgegeven door de Editions du Petit-Vingtième en daarna door Casterman, wordt al snel de held van een wekelijks uitgegeven stripverhaal van 12 pagina's.
Hergé, art director, vult de ploeg van het weekblad "Kuifje" aan met drie van zijn vrienden: Edgar P. Jacobs, Jacques Laudy en Paul Cuvelier. De vier auteurs hebben elk hun eigen talent en geven blijk van een geweldige wilskracht.
Hergé werkt de aventoren van Kuifje en Bobbie zorgvuldig uit met "De Zonnetempel", Edgar Pierre Jacobs innoveert met "Het Geheim van de Zwaardvis" waarin voor het eerst Blake en Mortimer verschijnen. Deze twee zullen later het boegbeeld van de strip worden. De jonge P. Cuvelier bezit het talent van een groot tekenaar en ontwerpt "L'extraordinaire Odyssée de Corentin Feldoë". J. Laudy, de minst bekende van de vier, illustreert op een romantische manier "La Légende des quatre Fils Aymon".
Op 26 september 1946 kan men voor het eerst het weekblad "Kuifje" en zijn franstalige tegenhanger "Tintin" in de Belgische krantenwinkels en boekhandels. Enkele dagen later blijft er bijna niets meer over van de 60 000 uitgegeven exemplaren.
In april 1947 wordt het weekblad "Kuifje" algemeen erkend als " het weekblad van alle jongeren tussen 7 en 77 jaar".
In 1948 overtuigt Rayond Leblanc de jongre Parijse uitgever Georges Dargaud om samen een Franse versie van het weekblad uit te geven. Voor meer dan 350 000 Franse jongeren wordt het wekelijks lezen van het weekblad "Tintin" een gekoesterde activiteit.
Het succes van het weekblad moedigt Raymond Leblanc aan om in 1950 de wekelijkse stripverhalen in albums te verzamelen en uit te geven.
De twee eerste volumes, uitgegeven onder het label van de Éditions du Lombard, worden geïllustreerd door Edgar Pierre Jacobs (Blake en Mortimer - "Het Geheim van de Zwaardvis" T.1) en Paul Cuvelier ("Les Extraordinaires Aventures de Corentin"). Ongeveer 1 500 exemplaren zullen worden gedrukt, waaronder meer dan 800 nu nog deel uitmaken van de tien grote verzamelingen van de huidige catalogus.
In december 1950 beslist Raymond Leblanc bovendien de lezers van het weekblad te bedanken door middel van de "Timbres Tintin" of "Kuifje's bon" die moeten worden uitgeknipt. Deze punten duiken voor het eerst op in de Belgische weekblad in 1951. De Franse lezers zullen, voor wettelijke redenen, moeten wachten tot 1952 alvorens de "Chèques Tintin" te kunnen ontdekken. In ruil voor een welbepaald aantal punten krijgt men verschillende geschenken die in de gewone handel niet verkrijgbaar zijn (een briljant idee, zoals later zal blijken): puzzels en portefeuilles maar ook de chromoboeken "Zien en Weten" (uitgegeven door de Studios Hergé), ganzenspelen, enz.
Gezien het succes van "Kuifje's bon" beslissen verschillende merken van voedingsproducten hieraan deel te nemen door hem op hun verpakkingen te plaatsen. Dit onverwachte succes verplicht de onderneming ertoe een twintigtal mensen aan te nemen om een speciale afdeling te beheren. Elk jaar zullen in België ongeveer 200 miljoen "Kuifje's bonnen" in omloop zijn.
Raymond Leblanc beseft dat de wederzijdse getrouwheid van de lezers belangrijk is en past dit op een succesvolle manier toe op zijn onderneming.
Wegens plaatsgebrek en uitbreiding van de onderneming verhuist ze, nog steeds in 1950, naar nummer 24 van dezelfde straat en bezet daar de eerste verdieping en in 1952 ook de tweede verdieping. Op de gelijkvloers wordt de eerste "Kuifje-winkel" geopend.
In 1953 publiceren de Éditions du Lombard "Junior", een bijlage van het Franstalige tijdschrift "Chez Nous". In deze pagina's zal men onder andere voor het eerst de serie Tibet Chick Bill vinden.
In 1954 stampt Raymond Leblanc het reclamebureau "Publiart" uit de grond en vertrouwt hij het bestuur ervan toe aan Guy Dessicy. Het is de eerste keer dat een reclamebureau in België stripfiguren gebruikt. Onder zijn klanten telt het bureau bekende namen zoals Côte d'Or en Coca-Cola. Ook de bekende kangoeroe van Walibi, een bekend Belgisch pretpark, werd door Publiart ontworpen.
Op 11 december 1954 ontstaan de "Belvision"-studio's, die in het begin op een zeer artistieke manier de stripfiguren aanpassen voor de televisie. Later zullen de studio's meer gesofisticeerd materiaal aankopen en personeel opleiden die korte en lange tekenfilms voor het grote scherm kan produceren, zoals "Pinocchio in de Ruimte", een Belgisch-Amerikaanse coproductie, of noch "Asterix de Galliër", "Asterix en Cleopatra", "Kuifje en de Zonnetempel", "Lucky Luke in Daisy Town", "Kuifje en het Haaienmeer", "Gulliver's reizen","De Fluit met Zes Smurfen" enz. Belvision wordt vervolgens een van de grootste Europese studio's van langspeelfilms, maar ook van reclamefilms en didactische films waarin de stripfiguren van het weekblad "Kuifje"-de hoofdrol spelen. De Belvision-producties worden geproduceerd door het kleine aantal Europese specialisten en zullen wereldwijd bekend worden. Men zal het zelfs hebben over de "Europese Hollywood van de tekenfilm".
Op 11 maart 1955 lanceert Raymond Leblanc, nog steeds in samenwerking met Georges Dargaud, het weekblad "Line" met als ondertitel "Le journal des chics filles", de vrouwelijke tegenhanger van het weekblad "Tintin".
Op 13 september 1958 verhuizen de Éditions du Lombard, Publiart en Belvision, die op dat moment een honderdtal mensen tewerkstellen, dankzij het grote succes van het weekblad "Kuifje"- en "Kuifje's bon". De onderneming vestigt zich in een gloednieuw gebouw opgericht op initiatief van Raymond Leblanc in de P.-H. Spaaklaan, nabij het Zuidstation. Paul-Henri Spaak zal zelf officieel "zijn" Laan en de "Kuifjegebouw" inwijden.
In 1962, nadat Raymond Leblanc Georges Dargaud in België heeft doen kennen, worden ze beide mede-uitgever van "Pilote", het weekblad dat onder andere door René Goscinny, Albert Uderzo en Jean-Michel Charlier werd opgericht.
In december 1963 wordt het weekblad "Line" overgekocht door Daniel Filipacchi, die de naam verandert in "Mademoiselle Age Tendre" en die zich richt tot "modieuze jonge meisjes". Le Lombard zorgt voor de Belgische versie.
Wanneer men hem vraagt een verklaring te geven voor zijn succesvolle onderneming en zijn bekwaamheid om talenten te ontdekken, gebruikt Raymond Leblanc de bekende Amerikaanse slagzin die zegt dat er geen succesvolle zaken zijn, alleen succesvolle mensen.
Raymond Leblanc is een verstandige en vooruitziende man die, samen met Charles Dupuis, Casterman en Georges Dargaud, onbetwist het meest heeft gedaan zodat de Strip als 9e Kunst wordt beschouwd.
Eind 1986 staat Raymond Leblanc de Éditions du Lombard af aan de Frans-Belgische groep Média-Participations, aan wie hij een een jaar later ook het bestuur toevertrouwd.
Op 29 november 1988 verschijnt het laatste numer van het weekblad "Tintin". "Kuifje"', de Nederlandstalige tegenhanger, wordt echter tot 26 juni 1993 uitgegeven.
In 2003 wordt tijdens het 30ste Festival international de la BD d'Angoulême hulde gebracht aan Raymond Leblanc en ontvangt hij als eerste uitgever de Alph-Art.
In de jaren 2000 was hij nog steeds Erevoorzitter van de Éditions du Lombard en begave hij zich nog vaak naar zijn bureau dat zich op de 8ste verdieping van het bekende gebouw bevindt in de Paul Herni Spaaklaan, net onder het uithangbord van Kuifje en Bobbie.
Samen met Dargaud-Bénélux en Kana, bevinden Le Lombard en Belvision zich al bijna 50 jaar in hetzelfde gebouw. Voortaan biedt dit volledig vernieuwde gebouw ook onderdak aan de gloednieuwe Stichting Raymond Leblanc.
Op 26 september 2006 wordt de 60ste verjaardag van de Éditions du Lombard en van het weekblad "Kuifje" gevierd. Voor deze gelegenheid werden verschillende evenementen georganiseerd.
Op hetzelfde moment werden ook de memoires van Raymond Leblanc, "Raymond Leblanc, Le Magicien de Nos Enfances - La Grande Aventure Du Journal Tintin" (Raymond Leblanc, De Tovenaar van onze Jeugd - Het Grote Aventuur van het Dagboek Kuifje), geschreven door Jacques Pessis, uitgebracht door de Éditions de Fallois.
Raymond Leblanc is overleden op een leeftijd van 92 op 21 maart 2008.